Helemaal aan het einde van de lange gang van de verpleegafdeling ligt een hoogbejaarde man. Enkele dagen eerder is hij opgenomen met een grote longontsteking. Toen hij op de spoedeisende hulp arriveerde, bleek dat hij geen familie meer had. De man heeft een teruggetrokken bestaan geleid; ook zijn vrienden zijn lang geleden overleden. Jarenlang heeft hij eenzaam in een klein huis in een naburig dorp geleefd, waar hij zich onttrok aan het oog van de maatschappij. De laatste weken is hij benauwd geworden. Onderzoek naar de oorzaken wilde hij niet, maar wel een medicijn om de benauwdheid te onderdrukken. De huisarts regelde vervolgens thuiszorg. Toen de klachten toenamen, werd hij doorgestuurd om te kijken of het tij nog te keren was. De huisarts heeft het dringende verzoek gedaan terughoudend te zijn met alle hoogtechnologische fratsen van de moderne geneeskunde. ‘Geen polonaise’, stond ter verduidelijking op de verwijsbrief geschreven. Op de thoraxfoto zie ik behalve de longontsteking veel meer afwijkend longweefsel. Op verzoek van de patiënt besluiten we er geen onderzoek naar te doen. Hij is daarin volstrekt helder. Antibiotica wil hij proberen en ‘dat zal het zijn’.

Een nog jonge, relatief onervaren verpleegkundige verzorgt hem en het is direct duidelijk dat ze het goed met elkaar kunnen vinden. Ze geeft hem extra aandacht en hij stelt dat duidelijk op prijs. In haar pauze zit ze steevast aan zijn bed.

Later vertelt ze me over de gesprekken die ze hebben gevoerd, over zijn jongere jaren, zijn onstuimige liefdes. De ontmoeting met zijn vrouw en de mooie tijd die volgde. Helaas overleed zij veel te vroeg, nu vijftien jaren terug. Hij heeft verteld over hun beider verdriet dat ze geen kinderen hadden gekregen. Zijn eenzame bestaan daarna. Vrienden die wegvielen. De teloorgang van zijn leven. Het zijn bijzondere ontmoetingen tussen deze oude man en de jonge vrouw van misschien nog geen 25 jaar oud. Ik heb waardering voor de manier waarop zij met elkaar omgaan en de tijd die zij neemt om met hem te praten, ondanks haar drukke bezigheden elders in het ziekenhuis.

Na een paar dagen gaat zijn situatie achteruit. De longontsteking verergert en hij krijgt het steeds benauwder. Als de morfinespuitjes niet meer voldoende werken, beginnen we met een continu morfinepompje om de benauwdheid te bestrijden. Binnen het team spreken we over palliatieve sedatie, wat inhoudt dat het bewustzijn van de patiënt met sterke slaapmiddelen verlaagd wordt om ervoor te zorgen dat hij tijdens het laatste stukje van zijn leven geen klachten meer ervaart. In geen van de dagen van zijn opname komt er bezoek.

Aan het einde van een zondagmiddag ga ik bij hem langs om zijn benauwdheid te beoordelen. Hij ligt er kalm bij. Zijn gelaat is ingevallen, zijn neus wit en op zijn benen zijn vlekken ontstaan. Daarbij heeft hij een rustige, maar volstrekt onregelmatige ademhaling. Hij is stervende.

In de overdrachtsruimte spreek ik de verpleegkundige aan het einde van haar dienst. Ze heeft afscheid van hem genomen, maar ze moet nu echt naar huis. Kinderen, vrienden, het leven. Het liefst zou ze bij hem blijven in zijn laatste uren. Er staan tranen in haar ogen. Ik praat met haar over zijn angst dat er niemand meer komt om afscheid te nemen, dat hij alleen zal sterven daar in dat ziekenhuiskamertje, achter op de gang. De verpleegkundige van de avond heeft de verantwoordelijkheid voor tien zieke patiënten, dus er zal nauwelijks tijd voor hem zijn. Ik beloof plechtig om aan het einde van mijn dienst langs te lopen. Ook ik heb geen tijd, de spoedopvang ligt vol met patiënten, een drukke telefoon.

Als ik uren later door de donkere gang loop, hoor ik tot mijn verbazing in de verte een prachtig zuiver geluid. Het lijkt alsof iemand zingt. Ik werp een blik in de kamer. In het gedimde licht ontwaar ik dezelfde verpleegkundige van vanmiddag, die allang thuis had moeten zijn. Gebogen zit ze aan het hoofdeinde, haar hand ligt om de zijne. De oude man is diep in slaap en ademt nauwelijks meer. Het is duidelijk dat dit zijn laatste momenten zijn. Ze kijkt strak naar hem en neuriet zachtjes een liedje, waarvan ik de tekst niet goed kan horen. Ze is veel te geconcentreerd om mij op te merken.

Ontroerd draai ik me om. Ik voel bewondering, diep respect en zoveel meer.

Terwijl ik wegloop, bedenk ik dat dit de absolute essentie is van zorg: menselijk contact, luisteren, er gewoon zijn. Ik weet dat je dit leest. Het is een ode aan jou en daarmee aan iedereen die zich sterk maakt voor kwaliteit van sterven. De eenzame dood is een uitzondering, maar jij leerde mij dat de zorg daaromheen uitzonderlijk kan zijn.

Sander de Hosson


Uit: ‘Slotcouplet’. Een bundel van verhalen over palliatieve zorg door longarts Sander de Hosson.